Groot hoefblad is beschermend
Groot hoefblad (Petasites hybridus) is een overblijvende tweehuizige plant uit het geslacht hoefblad uit de composietenfamilie (Asteraceae). De onder meer in België en Nederland voorkomende plant heeft zeer grote bladeren en groeit op vochtige en voedselrijke plaatsen. De rozeachtige staan in een aar die eind maart voor het blad uit de wortelstok tevoorschijn komt. Pas daarna ontwikkelen zich de tot een meter grote bladeren. De vrouwelijke aar heeft na uitgroei vooral bij de vrouwelijke planten een lange steel met kleine paarse blaadjes. De mannelijke bloeiwijze is meer knotsvormig. Verspreiding van de plant gebeurt vooral door afgebroken delen van de wortelstok. Groot hoefblad is een opvallend veel ruimte in beslag nemende plant. De plant is door de lange wortelstokken lastig te verwijderen. Ze wordt daarom in de volksmond wel 'allemansverdriet' genoemd. De plant is algemeen in Nederland.
Groot hoefblad komt niet rechtstreeks in de Bijbel voor en verwijst in de christelijke symboliek naar vroegtijdig ontluiken, beschutting (bescherming) en naar de vergankelijkheid versus het overleven. Als we het hebben over beschutting moet ik gelijk aan Psalm 91 denken. "Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende..." Deze psalm staat volledig in het teken van Gods bescherming tegen gevaren en angst. Ook Sela benadrukt het in de berijmde versie van Psalm 91: “De Heer is je schild en bevrijder, De Redder die niet van je wijkt, Onder zijn vleugels ben je veilig, Zijn wieken beschermen, Zijn trouw is een veilig schild. Al die beloften die we in de psalm lezen, hebt u misschien (nog) niet mogen ervaren en u voelt misschien wel mee met Job en zit u vol vragen. Ds. A. van der Veer schreef daarover: “Maar desondanks vraag ik u: Gelooft u, los van uw ervaringen, dat God de Allerhoogste, de Almachtige is? Ik vraag u dat, omdat God bij alle vragen die Job had, ook allereerst daarop wees. God antwoordde Job uit een storm en zei: ‘Sta op, Job, wapen je; Ik zal je ondervragen, zeg mij wat je weet. Waar was jij toen ik de aarde grondvestte? Vertel het me, als je zoveel weet. Wie stelde haar grenzen vast? Jij weet dat toch?’ (Job 38:4,5).
God zei niet: Wat een onbenullige vragen heb jij, Job! Maar Hij begon het gesprek met Job wel met de vraag of Job besefte wie Hij was. In feite is dat de vraag die ik allereerst aan mijzelf heb gesteld, toen er ook bij mij vele vragen leefden: Besef ik hoe groot God is en geloof ik dat God de Schepper is van hemel en aarde, dat Hij dus de Allerhoogste en de Almachtige is? Gelooft u dat?”