Laat de HEER zich verheugen in Zijn werken
Vanmorgen las ik een stuk uit Psalm 104 en bleef steken bij vers 31: “laat de HEER zich verheugen in Zijn werken”. Ik schrok en dacht hoe dan. Hier? Nu? Met onze milieu problematiek rondom de biodiversiteit, de water- en lucht- en bodemverontreiniging en noem maar op. Zou onze Heer zich erin verheugen dat wij delen van Zijn schepping hebben uitgeroeid, andere delen vervuild en kunnen wij die verantwoording aan?
Veel christenen hebben de overtuiging dat het in de Bijbel om mensen draait en dat de rest van de schepping de mens ten dienste staat. Dat lezen we in Genesis toch dat de mens over de schepping moet heersen? En dieren en planten hebben toch geen ziel? Met dit soort argumenten wordt het verschil tussen mensen en andere schepselen benadrukt. Hetgeen uitmond in een houding van: als wilde dieren schadelijk of gevaarlijk zijn dan doden we ze gewoon. En als we hun leefgebied kunnen gebruiken voor landbouw, wegen, recreatie of huizenbouw, dan nemen we ’t gewoon in of ontkennen we het probleem. En als we hout nodig hebben, dan kappen we dat toch. Van uitstervende soorten liggen we ook al niet wakker en als we ons al zorgen maken om de achteruitgang van ’t milieu, dan is dat vaak pas als het ons zelf raakt.
Psalm 50 zegt: “Wat in het veld beweegt is van Mij” En omdat de aarde en al het leven aan God toebehoren is dit een oproept om zorgvuldig rentmeesterschap. Natuurlijk de mens mag genieten van de natuur, maar dient er zorgvuldig mee om te gaan in liefde en respect. Als we zielsveel van God houden, dan zullen we zijn schitterende schepping alleen gebruiken voor onze basisbehoeften, maar nooit kapot maken. Nu we dat op grote schaal wèl doen en gedaan hebben is het mijn inziens onze Bijbelse taak de schade, voor zo ver dat in ons vermogen ligt, het evenwicht in de natuur, wat God met de schepping bracht, te herstellen. Weer te heersen in de juiste context van beheersen i.p.v. overheersen in afhankelijkheid van onze Schepper.