Nieuwsbericht toevoegen Overdenking toevoegen Agenda-item toevoegen

Onszelf spiegelen aan Jona

Wil Oosthoek schreef onderstaande overweging voor het laatst verschenen kerkblad van de hervormde gemeente in Zevenhuizen.

Een poosje geleden werd in mijn dagboekje de profeet Jona behandeld. De meesten van ons kennen de geschiedenis van Jona. Hij liep weg van God, scheepte zich in naar Tarsis, maar is er nooit aangekomen want God hield hem tegen. Over boord gezet, opgeslokt door een grote vis en weer uitgespuugd. Weglopen van je opdracht van God doe je dus niet ongestraft. Soms houdt God je daadwerkelijk tegen en soms krijg je een steeds vervelender gevoel zodat je toch maar beter kunt luisteren. Of nog erger, je haakt helemaal af omdat je niet luisteren wil. In hoofdstuk drie en vier zien we dat Jona een tweede kans krijgt. Zo krijgen wij ook een tweede kans en soms nog wel meer dan een tweede kans. Jona krijgt opnieuw dezelfde opdracht. Ga naar Ninevé om te gaan zeggen dat de stad over veertig dagen verwoest zal worden omdat hun slechtheid ten hemel schreiend is. Letterlijk. God kon het niet meer aanzien. Hoe zou God tegen onze tegenwoordige tijd aankijken? Wij vragen ons al dikwijls af waar het allemaal naar toe moet gaan met deze wereld. Laat staan God die alles perfect heeft geschapen. Jona gaat één dagreis de stad Ninevé in, de stad was drie dagreizen groot. Je zou bijna denken dat er toch nog iets van tegenzin in Jona zat. Dat hebben wij toch ook weleens? OK, ik ga het doen, maar niet van harte.. De inwoners van Ninevé bekeren zich en zelfs de koning komt van zijn troon, buigt zich neer voor God en roept een vasten uit voor mensen en dieren om God te smeken om hen niet te vernietigen.

God zag dat de Ninevieten hun leven gingen beteren en Hij kwam terug op zijn besluit. Jona ziet de verandering ook. Hij ergert zich aan Gods nieuwe besluit en zegt tegen God: ”Ik wist het wel toen ik nog thuis was. U bent een God die genadig is en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid.” In Exodus 34:6 zegt God dit van zichzelf tegen Mozes. Herkennen we in deze houding ook een stukje van onszelf? Dat we het niet kunnen hebben dat iemand die behoorlijk verkeerd bezig is geweest zich bekeert en daarna vergeven wordt en men hem of haar weer de hand toesteekt? Jona wil zelfs liever sterven dan dat hij moet zien dat Ninevé gespaard zal worden. Dan ben je toch wel erg boos. Dan vraagt God aan Jona of het terecht is dat hij boos is. Er staat niet wat Jona antwoordt. Jona gaat buiten de stad zitten wachten wat er verder zal gebeuren. Zo kunnen wij ook weleens boos af gaan zitten wachten. Jona bouwt een hut als bescherming tegen de zon, maar God is nog niet klaar met Jona. Hij laat een wonderboom opschieten om Jona te beschermen tegen de zon en om de ergernis van Jona te verdrijven. Een cadeautje van God voor Jona. Jona geniet er van, hij is er erg blij mee. De volgende dag laat God de wonderboom verdorren en Hij laat een verzengende wind over het land gaan. Jona wordt ziek van de hitte. Weer is Jona ontzettend boos en weer wil hij liever sterven dan zo te moeten leven.

Weer vraagt God of het terecht is dat hij zo boos is. Nu staat het antwoord van Jona wel in de Bijbel. Jona vindt dat het terecht is dat hij boos is over de boom. Misschien voelt hij zich in de steek gelaten. Eerst zorgt God voor hem en dan ineens is dat over. Wat moet hij er mee? Zo kunnen wij ons ook weleens voelen als we menen ergens recht op te hebben en het wordt dan ineens van ons weggenomen. Dan zegt God tegen Jona: “Jij bent boos en verdrietig over het verlies van de boom waar je niets voor hebt hoeven doen. Jij dacht dat de boom van jou was, maar je had er geen enkele zeggenschap over. Ik heb hem laten groeien en Ik heb het recht om hem weg te nemen. Zou Ik dan ook niet het recht hebben om verdrietig te zijn over een stad met honderdtwintigduizend schepselen van mij die vernietigd dreigen te worden? En hen te sparen omdat ze berouw hebben?”

We lezen verder niets over een antwoord van Jona. Het is een open vraag en die is ook aan ons gericht. We hebben alles van God te leen gekregen, net zoals Jona de boom te leen kreeg. Moeten we dan boos zijn als Hij er iets anders mee doet? Eén ding weten we zeker, wat Hij ook anders beslist, Hij gaat nooit van ons weg. “Ik zal niet van je zijde wijken en je niet verlaten,” zegt God in zijn Woord tegen Jozua.(Jozua 1:5b en Hebreeën 13:5). Dat zegt Hij ook tegen ons. Daar mogen we vast op vertrouwen.

Naar het overzicht